Ruth's Verhaal

De kogel

E-mailadres Afdrukken PDF

Als je  de oude stad van Akko binnenrijdt, passeer je een tel, een antieke woonheuvel, waarop het metalen silhouet van Napoleon te paard staat opgericht.  Aan zijn lans wappert de Israelische vlag. Die combinatie had ik nooit begrepen tot afgelopen week. Op een wel heel bijzondere wijze werd ik naar de verklaring daarvan gebracht.

Vorige week was het Toe Bisjwat, de Verjaardag van de Bomen, toen we in Haifa een weggegooideboom varen vonden, een toepasselijk cadeau voor die dag. Thuis werd een ton gezocht waarin de boom zijn leven zou kunnen voortzetten, maar die bleek niet in onze voorraad aanwezig. Ik reed naar de opening in de bergrug waar voorbijgangers overvloedig hun afval dumpen. Alsof die op me lag te wachten, zag ik beneden aan de helling een groot vat liggen.  Ik balanceerde over  het schuim van de welvaartmaatschappij naar beneden, greep het vat en begon aan de klim omhoog. Ik maakte een omweg naar een schoon stuk en begon te klimmen,de stuiterende ton achter me aan trekkend. De overvloedige regens van de afgelopen maanden hadden een diepe geul uitgeslepen in de bergwand.  Een kogelronde steen trok mijn aandacht, ongeveer vijf centimeter doorsnede. Terwijl ik hem snel in mijn zak frommelde, viel me onbewust de zwaarte van de bal op.

Thuis gekomen wist mijn echtgenoot met zekerheid te vertellen dat de bal van metaal was. Hij boorde er een klein gaatje in en ja, hoor, glimmend metaal. De magneet eropgezet, nee niet magnetisch, gietijzer dus. Conclusie: een kogel. Internet leverde op dat het om een kogel ging van rond 1800, Napoleontische tijd. Na zijn beroemde tocht naar Egypte, waarbij in de legertrein een tweehonderd wetenschappers meetrokken, trok Napoleon via de Sinaiwoestijn  naar Palestina.  Hij ging noordwaarts langs de kust, de ene vesting na de andere nemend, Gaza, Jaffa, Haifa. Doel was de onneembare Kruisvaardersvesting van Akko in te nemen waar de Turken- Palestina viel onder het Ottomaanse Rijk- zich hadden terug getrokken. Hij liet een kamp opslaan op het strand aan de baai van Haifa, waar de vesting van Akko in naar voren steekt. Maar het ging niet zoals de keizer het gewenst had. Er werd wel een bres in de hoge muur geslagen, maar de weerstand van de Turken was zo groot, dat het leger niet kon binnendringen. Toen begon het beleg van enige maanden. Napoleon stuurde zijn tweede man, de gevierde generaal Murat, de later koning van Napels, met een regiment landinwaarts om de achterban van de Turken, die gelegerd was in de stad Tsfat, in de pan te hakken. De generaal trok de bergen van Galilea in en kwam in de vallei  terecht, die nu Beit ha Kerem heet. Bij de plaats Rama – onze benedenburen!- sloeg de dandygeneraal zoals hij werd genoemd, op 30 maart 1799 het kamp op. Het dorp sidderde al. Soldaten kregen geen soldij; ze mochten plunderen. Ditmaal was Rama de klos. Dit dorp ligt pal onder de hedendaagse stortplaats waar ik de kogel vond. Het was niet moeilijk om een reconstructie te maken van de plundering. Het kanon vullen met een hoeveelheid kleinere kogels zoals die welke ik vond, een zogenaamde scharpnel, zeg maar een schot hagel op groot formaat, die afschieten op het dorp, bewoners verjagen en rauzen maar. Een of meerdere van de kogels kwam in de bergwand terecht en werd aan een zijde lichtelijk afgeplat.

Onderwijl bedacht Napoleon, omdat hij nu toch alle tijd had, in zijn keizerlijke tent daar op het strand iets bijzonders: dat Palestina na de overwinning van de Turken hier in Akko voor de Joden zou zijn! Hij liet dat idee publiceren in de belangrijkste Franse krant van die dagen en riep de Joden op mee te doen bij het beleg van Akko. De reacties vanuit de Joodse wereld waren doorgaans cynisch, zeker toen Napoleon het beleg op Akko moest opgeven.  Door de invoering van de principes van de Franse Revolutie – Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap- had de keizer  toch voor een groot cadeau gezorgd: de emancipatie van de Joden welke uiteindelijk zou leiden tot de realisatie van een Joodse Staat, weergegeven in de opnieuw gelanceerde gedachte van Theodor Herzl. Vele zionisten echter vergaten de eerste schepper van het idee niet, voerden Napoleon zelfs als legitimatie aan.

De hedendaagse vlag die daarboven op de tel aan de lans van Napoleon wappert, wordt steeds vernieuwd. Akko vergeet de keizer niet!

 

Winterkamer

E-mailadres Afdrukken PDF

Het is nu heus echt winter aan het worden in het land. Afgelopen dagen  hing er hier in het noorden een mist- en regengordijn, wat af en toe maar even open ging. Afgelopen dagen viel hier 11 centimeter regen, 14% van de hoeveelheid die er normaal gesproken in het jaar valt. En het is nog maar pas November. Dat  constante cadeau uit de hemel heeft een eigenaadige uitwerking op de mensen hier. Alles valt stil in het dorp. Zeg maar:  het dorp is uitgestorven. Alleen de kringelsliertjes rook uit de schoorsteentjes vertellen dat er wel degelijk mensen  zijn. Net als de schorpioenen, de slangen en de veelpotige nadals  voor de winter onder de stenen kruipen, zo ‘verstoppen’ de dorpelingen zich in hun huizen. Met name in de winterkamer. ‘Piece de resistance ‘daar is de lage Arabische kachel met een lange pijp naar de zoldering. Buiten op het dak ligt een kunstig gestapelde berg hout, meestal van gerooide avocadoplantages van kibboetzim. Sinds die gekke Hollanders in het dorp zijn gekomen, verrijzen er ook stapels zwerfhout, “Afgekeken van ons”, stellen we vast.  In de winterkamer is het heel erg warm. Andere delen van de huizen zijn ijskoud. Om de snorrende kachel staat een oud olijvenblik gevuld met water  te borrelen om de ruimte wat vochtig te houden. Er omheen liggen matrassen met kleurige dekens. Daarop ligt altijd wel iemand te slapen. Voor de oprichting van de staat Israel, kwam men nauwelijks de natte maanden meer buiten. Men hield echt een winterslaap.  Het moet in die 1 kamerhuizen heel warm en propvol zijn geweest, want de dieren werden ook nog eens binnen gehaald, zo als destijd bij ons in NL het zogenaamde ‘ los hoes’. Men leefde op een soort entresol  tegen het dak aan,waaronder de beesten heen en weer scharrelden. De oudste man van het dorp, 101 jaar nu, de vader van de roemruchte generaal Gid’on, leeft nog altijd zo.

Nu de moderne maatschappij vereist dat iedereen naar zijn baas gaat en naar school, moet men wel het warme hol verlaten, maar bij thuiskomst, is het meteen hup, onder de wol en achter de kachel. Alleen moeder en haar dochters soms begeven zich in de ijskouwe keuken om haar gezin van eten te voorzien. Vlak om de deur van de winterkamer staat de kist. Daarin liggen de blokken hout die van het dak af zijn gehaald. Een snelle greep om de hoek van de deur, gelijk klinken er al kreten van verontwaardiging dat de kou binnen komt.  Gauw de deur weer  dicht en hup kacheldeurtje open en proppen maar. Snelweer onder de wol. Er staat een schaal met Turkse kastanjes die gedurig op het hete ijzer van de kachel worden geroosterd. Soms komt er een aardappeltje bij. Moeder komt met een blad met glaasjes binnen. De winterthee, getrokken van een mengsel van gember, geelwortel,  kardamon, koriander en anijs, lang getrokken  met grote hoeveelheden suiker, de ‘drug’ van de Arabier.

Het is uiterst ‘kneuterig’ om tussen zo’n half-slapend gezelschap te verkeren. De warmte en het zachte zingen uit het waterblik maken je ook doezelig. Je wordt net als de beestjes zo’n beetje. Ik zie ook dat de mensen voor de nacht niet uit de kleren gaan, sommigen hebben zelfs een jas aan, mocht de kachel toch uitgaan bijgebrek aan bijvulling. De mannen slaan zelfs om hun Droezenpetjes nog eens extra sluier; het hoofd moet ook warm blijven.

Zo’n plek is niet geschikt om je voor te bereiden op je proefwerk of examen. Vader en moeder leven uitsluitend voor de kinderen. De minderheden in dit land hebben een enorme ambitie ontwikkeld; hun kinderen moeten allemaal academische studies volgen. Je bent eigenlijk niet veel waard als je niet kan vertellen dat je zoons ingenieurs  of advocaaten je dochters tandarts  of dokter zijn. Lukt dat niet op een israelische universiteit, dan maar naar Rusland of naar Jordanie. In dit dorp van 6000 inwoners hebben we 25 praktizerende tandartsen, hetzelfde aantal advocaten. De artsen kan ik niet tellen want die werken elders bij het Ziekenfonds of in het regionale ziekenhuis. Terwijl hun ouders zich afsloven met minderwaardige baantjes zit hun kroost op hun kamertjes te blokken.

Gisteren was ik in zo’n kamertje. Ik kwam bij Manar, een beeldschone achttienjarig meisje, de beste van haar klas, sommigen fluisteren zelfs, de beste van de plaatselijke middelbare school. De verwachtingen omtrent haar toekomstige carriere zijn hoog gespannen. Moeder heeft me gevraagd of ik Engelse conversatielessen wil geven. Manar maakt enorme vooruitgang in de Engelse spraak, niemand had anders verwacht. Maar deze week kan ik niet in de winterkamer ontvangen worden . “ “Manar wacht op U in haar kamer”, zegt  de zeer vrome vader sheikh Jamal, terwijl hij schichtig de deken van zich afslaat.” Snel sluit ik weer de deur. “ Door de deur heen hoor ik nog zijn stem met een enigszins verontschuldigende toon: “ Alles goed met U, Uw man en Uw kinderen?” Manar ligt op haar bed  in haar rose kamertje, ook de beertjes op haar bed hebben die kleur. Naast Manar staat in het bed tussen de dekens een roodgloeiend elektrisch kacheltje. Manar zit te rillen en neemt het kacheltje bijna op schoot. Buiten klettert er alweer een bui. “How was your day today?”

 

EMDEN-PEQI’IN

E-mailadres Afdrukken PDF

Een weekje voordat wij weer naar ons Peqi’ in zouden terugkeren, besloot ik nog een fietstochtje te gaan maken in het Noorden van de Lage landen. Samen met mijn pakpaardje beladen met tentje en slaapgoed, stapte ik op de trein naar Delfzijl. Om daar aan te komen in het land waar tot 1940  percentueel de meeste Joden van Nederland woonden. Maar waar ook de treinen uit Westerbork, bij Nieuwerschans de grens overgingen. Het lijntje van toen naar Bunde en verder naar het Oosten  ligt er nog steeds.

Ik fietste langs de slikken en schorren van de Dollard, door de nieuwe polders tot aan de horizon, veroverd op de Waddenzee.en wat wijd was het daar. En steeds ging het uitzicht op de overkant, de stad Emden, mee. Midden in dit lege land trof ik de Groningse versie van de kibbutz, met eetzaal, bibliotheek, mazkirut, woningen voor de arbeiders, geschaard om enorme schuren waar mammoet traktors staan, die straks weer de ploegscharen door de zeeklein gaan trekken.Bij Nieuw Statenzijl ging ik de grens over Ost-Friesland in. In het schilderachtig vissersplaatsje Ditzum, waar ik Tee mit Klontje dronk gepresenteerd door ene Antje, stak ik de imposante Ems over. In de verte rezen de torens van de centrales van de Eemshaven. Ik wilde naar Emden. De door de oorlog ausradierte stad, Kriegsmarine, oude Joodse gemeenschap, waar mijn vrienden met de naam van Emden, van Embde, hun oorsprong hadden. Langs weilanden met blonde koeien, molens met vreemde zij molentjes aan de kap, vaarten met slanke bruggetjes, reed ik de buitenwijken van de stad in. Ik las de namen van de straten van het oude Duitse rijk in Oost-Europa. Memel, Thorn, Danzig, Stettin, Breslau, Koenigsberg. Statige degelijke huizen die de vuurstorm van September 1944 hadden overleefd. Dan de schok van een monsterachtig vierkant hoog blok, de eerste bunker.

Op de Joodse begraafplaats aan het gedempte Judentief in Emden, keurig onderhouden en verstild onder hoge bomen, zag ik een opvallend graf van de toenmalige rabbijn van Emden, dr. Loeb. Ik zag een paar liggende zerken, wat betekent dat hier ook Portugese Joden begraven zijn geweest. Voordat zij verdreven werdenvan het Iberisch schiereiland zich vestigden in Amsterdam, legden zij eerst aan hier aan de stad aan de Ems. Lange tijd was het een Nederlandse stad, waar Nederlands ook de voertaal was. Een aantal bleven daar, hoewel Portugese namen niet meer in de registers van de negentiende en twintigste eeuw voorkomen. Er is echter een familie van de Valde, die stijf blijft volhouden dat zij van deze aristocratische Joden afstammen. Hun naam zou een vertaling van Da Silva  zijn. Overlevenden in Israel vertaalden opnieuw hun naam naar het Hebreeuws: Ja’ari. 

De oude bewaarder van de begraafplaats, de heer Eitel, nodigde mij uit mij neer te zetten op het bankje tussen de geraniums en de begonia’s voor zijn huis, wat vroeger het zogenaamde Metaher-huisje voor de overledenen was. Tegenover ons rijzen drie zwart-stenen wanden op waarop de name ingebeiteld staan van de omgekomen Joden van de stad. Ik zie veel Nederlands-Joodse namen. Alfred Eitel komt met een paar ordners aan waarin zijn privéverzameling van de verdwenen Joodse gemeenschap van de stad is ondergebracht. Hij wijst op foto’s van mensen . “Kijk, hun namen staan ook op het monument. Daar rechts staat Albert Polak, mijn vriendje. Hij was er een van een tweeling. Ja, ja, ik was erbij toen de synagoge in brand werd gestoken. Ik woonde om de hoek op de Appelmarkt. Het is voor mij totaal onbegrijpelijk, mensen zoals U en ik, niks geen ander soort of zo. De Juden. Nee, nee, helaas zijn er niemand meer in deze stad. Ik weet ook niet wat er verder voor initiatieven om ze te gedenken. Helaas, dat doet me leid. Hier heeft U een plaatje van de synagoge. ’t Was een heel mooi gebouw.”, zegt hij op zijn Gronings-Duits. Als ik later aanbel bij de pastoor van de Pfarrei ernaast, een jonge man zojuist uit India, weet die desgevraagd ook van niets. Hij weet zelfs niet wat die stenen pilaar daar op de stoep tegenover zijn woning betekent. Hij luistert echter wel geïnteresseerd.

 Toen ik daarop de zwart marmeren pilaar wilde fotograferen, werd er in de achterliggende huizen een van de deuren geopend. Een oudere vrouw met stijf kapsel en samengeknepen mond stapte naar buiten en keek wantrouwig naar mij. Toen ik haar groette, antwoordde ze niet, maar keerde zich weer om, ging haar huis weer binnen en sloot de deur met een harde klap. Op deze plaats had de imposante synagoge gestaan die in de Kristallnacht van 1938 werd verwoest. Na de oorlog verkocht het Joods nationaal fonds aan een aannemer, die er huizen op bouwde.

“O, er is zoveel weerstand geweest tegen het plaatsen van dit monument”, vertelt Marianne Claudi in haar huis aan de Koenigsbergerstrasze waar ik zojuist nog langs fietste. “Met opzet hebben we het monument op de stoep gezet, bijna als een soort ‘Stolpernstein’een struikelsteen, zodat de voorbijganger aan deze plek niet ongemerkt voorbij kan gaan. Marianne haar naam kreeg ik van de vriendelijke baliemedewerkster, ook al weer een Antje, van het Ostfriesische Landesmuseum in het hartje van de stad.

Marianne en haar man legden veel vast van de Joodse geschiedenis van de stad aan de Ems. Ze trokken zelfs naar Israel om overlevenden van de total verdwenen Joodse gemeenschap te interviewen en legden dat in lijvige boekwerken – allang uitverkochte-vast. Toen Israelische duikbootofficieren hier met hun gezinnen naar de stad kwamen om op de grote U-Bootwerft onderricht te krijgen, leerde zij hen Duits. Op de vraag waarom zij zich zo met ons verbonden antwoordt zij: “Omdat we ‘Taeter”- daders zijn.”

Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat zij ook een slachtoffer is en zij  vandaar uit zich verbonden voelt met het Joodse volk. Maar als ik in die richting praat,krijg ik geen respons. Pas later vertelt zij over een voorval, waaruit wel degelijk blijkt dat de oorlog sporen bij haar heeft achtergelaten

Terwijl het vriendelijke echtpaar mij met Ostfriesische Tee mit Klontje in hun Elternhaus ontvangt – natuurlijk moet ik straks blijven slapen, want mensen uit Israel begroet zij met grote vreugde, die laat ze niet zo maar gaan – zie ik aan de overkant bij een groot gebouw een bunker staan. Marianne ziet me kijken en zegt: “Dat was het lazaret. In de bunker werden de gewonde soldaten gelegd die niet meer konden lopen. Emden is in september 1944 voor 85 % door bombardementen verwoest. Elke dag weer kwamen de vliegtuigen terug om het werk af te maken. Ik was toen een meisje van tien jaar oud.

De stad was een vesting, rond de haven waarin de Kriegsmarine lag, met enorme bunkers waar wij elke nacht naar toe moesten vluchten als het alarm weer was afgegaan. ‘Onze’bunker stond en staat er nog steeds, hier zeven minuten lopen vandaan. (Ja, die bunker waar ik bij binnenkomst van stad het eerste tegen aan reed.) Soms konden we dat niet halen en renden we naar de bunker hier aan de overkant. Op een avond had mijn moeder net mijn haren gewassen, toen het alarm weer afging. De bommen vielen echter al, heel dichtbij, want het bleek dat het niet om de haven ging, maar juist de prachtige oude binnenstad,als wraak voor de verwoesting van een Engelse stad door V1 en V2-raketten. Met natte haren sleurde mijn moeder mij met mijn zusje naar buiten. De bunker was niet meer te halen, dus schoot mijn moeder het terrein van het lazaret op, waar zij op de deur van de bunker bonkte. We werden binnengelaten en ik zag overal gewonde soldaten, waarvan verscheidene zonder armen en benen. Iemand pakte mij op en zette mij op het bed van een man. Hij lachte naar mij van onder zijn hoofdverband, aaide mij over mijn natte haren en zei: “Regent het buiten?”

Anderhalve week later bevind ik mij onder de familie van de jonggeboren Neta ben Dov, op het intieme binnenhofje van de oude beth Knesset in ons dorp. Straks zal zijn vader Ro’i hem op een mooi zijden kussen overdragen aan Yinnon, zijn vriend, een geboren Kohen, die het ritueel van de Pidyon haBen zal verrichten. Beide jonge mannen woonden in dit dorp toen zij tijdens de ongeregedheden van 2007 het dorp moesten ontvluchten, omdat hun huizen in de brand werden gezet. Desondanks blijft hun hart in dit oude dorp der Kohanim. Margalith Zinati, de laatste lood aan deze stam, bewaakt tot haar laatste snik het Joodse erfgoed in het dorp. Na de uitwisseling van de zilveren shekels en de Priesterzegen, komt zij aan de beurt met haar brachot. Als een Kohenet legt zij haar tachtigjarige hand boven het kleine manneke en spreekt haar eigen brachot uit.

Maar er is iets merkwaardigs in de sfeer van dit gebeuren uit bijbelse tijden. Ik bespeur onder het publiek iets bekends,iets recents, juist  bij de familieleden van de vader. Ineens weet ik het! Duitsland, Emden, oost-Friesland. Ik loop naar de overgrootmoeder van de kleine Neta, een ontzag afdwingende strenge vrouw, met een zuiver Ashkenazi’s gezicht. “ Ja,zeker, wij komen uit Noord-Duitsland. Mijn vader, Dr. Loeb, was rabbijn in Emden. Hoor goed, Rabbijn Doktor Loeb!” Of ik het gehoord heb! ‘Ja, inderdaad aan het Judentief begraven.” Ze is niet eens verbaasd.

Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.

 

Zoeken

tekstgrootte

familieberichten

Momenteel zijn er geen berichten.