Een weekje voordat wij weer naar ons Peqi’ in zouden terugkeren, besloot ik nog een fietstochtje te gaan maken in het Noorden van de Lage landen. Samen met mijn pakpaardje beladen met tentje en slaapgoed, stapte ik op de trein naar Delfzijl. Om daar aan te komen in het land waar tot 1940 percentueel de meeste Joden van Nederland woonden. Maar waar ook de treinen uit Westerbork, bij Nieuwerschans de grens overgingen. Het lijntje van toen naar Bunde en verder naar het Oosten ligt er nog steeds.
Ik fietste langs de slikken en schorren van de Dollard, door de nieuwe polders tot aan de horizon, veroverd op de Waddenzee.en wat wijd was het daar. En steeds ging het uitzicht op de overkant, de stad Emden, mee. Midden in dit lege land trof ik de Groningse versie van de kibbutz, met eetzaal, bibliotheek, mazkirut, woningen voor de arbeiders, geschaard om enorme schuren waar mammoet traktors staan, die straks weer de ploegscharen door de zeeklein gaan trekken.Bij Nieuw Statenzijl ging ik de grens over Ost-Friesland in. In het schilderachtig vissersplaatsje Ditzum, waar ik Tee mit Klontje dronk gepresenteerd door ene Antje, stak ik de imposante Ems over. In de verte rezen de torens van de centrales van de Eemshaven. Ik wilde naar Emden. De door de oorlog ausradierte stad, Kriegsmarine, oude Joodse gemeenschap, waar mijn vrienden met de naam van Emden, van Embde, hun oorsprong hadden. Langs weilanden met blonde koeien, molens met vreemde zij molentjes aan de kap, vaarten met slanke bruggetjes, reed ik de buitenwijken van de stad in. Ik las de namen van de straten van het oude Duitse rijk in Oost-Europa. Memel, Thorn, Danzig, Stettin, Breslau, Koenigsberg. Statige degelijke huizen die de vuurstorm van September 1944 hadden overleefd. Dan de schok van een monsterachtig vierkant hoog blok, de eerste bunker.
Op de Joodse begraafplaats aan het gedempte Judentief in Emden, keurig onderhouden en verstild onder hoge bomen, zag ik een opvallend graf van de toenmalige rabbijn van Emden, dr. Loeb. Ik zag een paar liggende zerken, wat betekent dat hier ook Portugese Joden begraven zijn geweest. Voordat zij verdreven werdenvan het Iberisch schiereiland zich vestigden in Amsterdam, legden zij eerst aan hier aan de stad aan de Ems. Lange tijd was het een Nederlandse stad, waar Nederlands ook de voertaal was. Een aantal bleven daar, hoewel Portugese namen niet meer in de registers van de negentiende en twintigste eeuw voorkomen. Er is echter een familie van de Valde, die stijf blijft volhouden dat zij van deze aristocratische Joden afstammen. Hun naam zou een vertaling van Da Silva zijn. Overlevenden in Israel vertaalden opnieuw hun naam naar het Hebreeuws: Ja’ari.
De oude bewaarder van de begraafplaats, de heer Eitel, nodigde mij uit mij neer te zetten op het bankje tussen de geraniums en de begonia’s voor zijn huis, wat vroeger het zogenaamde Metaher-huisje voor de overledenen was. Tegenover ons rijzen drie zwart-stenen wanden op waarop de name ingebeiteld staan van de omgekomen Joden van de stad. Ik zie veel Nederlands-Joodse namen. Alfred Eitel komt met een paar ordners aan waarin zijn privéverzameling van de verdwenen Joodse gemeenschap van de stad is ondergebracht. Hij wijst op foto’s van mensen . “Kijk, hun namen staan ook op het monument. Daar rechts staat Albert Polak, mijn vriendje. Hij was er een van een tweeling. Ja, ja, ik was erbij toen de synagoge in brand werd gestoken. Ik woonde om de hoek op de Appelmarkt. Het is voor mij totaal onbegrijpelijk, mensen zoals U en ik, niks geen ander soort of zo. De Juden. Nee, nee, helaas zijn er niemand meer in deze stad. Ik weet ook niet wat er verder voor initiatieven om ze te gedenken. Helaas, dat doet me leid. Hier heeft U een plaatje van de synagoge. ’t Was een heel mooi gebouw.”, zegt hij op zijn Gronings-Duits. Als ik later aanbel bij de pastoor van de Pfarrei ernaast, een jonge man zojuist uit India, weet die desgevraagd ook van niets. Hij weet zelfs niet wat die stenen pilaar daar op de stoep tegenover zijn woning betekent. Hij luistert echter wel geïnteresseerd.
Toen ik daarop de zwart marmeren pilaar wilde fotograferen, werd er in de achterliggende huizen een van de deuren geopend. Een oudere vrouw met stijf kapsel en samengeknepen mond stapte naar buiten en keek wantrouwig naar mij. Toen ik haar groette, antwoordde ze niet, maar keerde zich weer om, ging haar huis weer binnen en sloot de deur met een harde klap. Op deze plaats had de imposante synagoge gestaan die in de Kristallnacht van 1938 werd verwoest. Na de oorlog verkocht het Joods nationaal fonds aan een aannemer, die er huizen op bouwde.
“O, er is zoveel weerstand geweest tegen het plaatsen van dit monument”, vertelt Marianne Claudi in haar huis aan de Koenigsbergerstrasze waar ik zojuist nog langs fietste. “Met opzet hebben we het monument op de stoep gezet, bijna als een soort ‘Stolpernstein’een struikelsteen, zodat de voorbijganger aan deze plek niet ongemerkt voorbij kan gaan. Marianne haar naam kreeg ik van de vriendelijke baliemedewerkster, ook al weer een Antje, van het Ostfriesische Landesmuseum in het hartje van de stad.
Marianne en haar man legden veel vast van de Joodse geschiedenis van de stad aan de Ems. Ze trokken zelfs naar Israel om overlevenden van de total verdwenen Joodse gemeenschap te interviewen en legden dat in lijvige boekwerken – allang uitverkochte-vast. Toen Israelische duikbootofficieren hier met hun gezinnen naar de stad kwamen om op de grote U-Bootwerft onderricht te krijgen, leerde zij hen Duits. Op de vraag waarom zij zich zo met ons verbonden antwoordt zij: “Omdat we ‘Taeter”- daders zijn.”
Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat zij ook een slachtoffer is en zij vandaar uit zich verbonden voelt met het Joodse volk. Maar als ik in die richting praat,krijg ik geen respons. Pas later vertelt zij over een voorval, waaruit wel degelijk blijkt dat de oorlog sporen bij haar heeft achtergelaten
Terwijl het vriendelijke echtpaar mij met Ostfriesische Tee mit Klontje in hun Elternhaus ontvangt – natuurlijk moet ik straks blijven slapen, want mensen uit Israel begroet zij met grote vreugde, die laat ze niet zo maar gaan – zie ik aan de overkant bij een groot gebouw een bunker staan. Marianne ziet me kijken en zegt: “Dat was het lazaret. In de bunker werden de gewonde soldaten gelegd die niet meer konden lopen. Emden is in september 1944 voor 85 % door bombardementen verwoest. Elke dag weer kwamen de vliegtuigen terug om het werk af te maken. Ik was toen een meisje van tien jaar oud.
De stad was een vesting, rond de haven waarin de Kriegsmarine lag, met enorme bunkers waar wij elke nacht naar toe moesten vluchten als het alarm weer was afgegaan. ‘Onze’bunker stond en staat er nog steeds, hier zeven minuten lopen vandaan. (Ja, die bunker waar ik bij binnenkomst van stad het eerste tegen aan reed.) Soms konden we dat niet halen en renden we naar de bunker hier aan de overkant. Op een avond had mijn moeder net mijn haren gewassen, toen het alarm weer afging. De bommen vielen echter al, heel dichtbij, want het bleek dat het niet om de haven ging, maar juist de prachtige oude binnenstad,als wraak voor de verwoesting van een Engelse stad door V1 en V2-raketten. Met natte haren sleurde mijn moeder mij met mijn zusje naar buiten. De bunker was niet meer te halen, dus schoot mijn moeder het terrein van het lazaret op, waar zij op de deur van de bunker bonkte. We werden binnengelaten en ik zag overal gewonde soldaten, waarvan verscheidene zonder armen en benen. Iemand pakte mij op en zette mij op het bed van een man. Hij lachte naar mij van onder zijn hoofdverband, aaide mij over mijn natte haren en zei: “Regent het buiten?”
Anderhalve week later bevind ik mij onder de familie van de jonggeboren Neta ben Dov, op het intieme binnenhofje van de oude beth Knesset in ons dorp. Straks zal zijn vader Ro’i hem op een mooi zijden kussen overdragen aan Yinnon, zijn vriend, een geboren Kohen, die het ritueel van de Pidyon haBen zal verrichten. Beide jonge mannen woonden in dit dorp toen zij tijdens de ongeregedheden van 2007 het dorp moesten ontvluchten, omdat hun huizen in de brand werden gezet. Desondanks blijft hun hart in dit oude dorp der Kohanim. Margalith Zinati, de laatste lood aan deze stam, bewaakt tot haar laatste snik het Joodse erfgoed in het dorp. Na de uitwisseling van de zilveren shekels en de Priesterzegen, komt zij aan de beurt met haar brachot. Als een Kohenet legt zij haar tachtigjarige hand boven het kleine manneke en spreekt haar eigen brachot uit.
Maar er is iets merkwaardigs in de sfeer van dit gebeuren uit bijbelse tijden. Ik bespeur onder het publiek iets bekends,iets recents, juist bij de familieleden van de vader. Ineens weet ik het! Duitsland, Emden, oost-Friesland. Ik loop naar de overgrootmoeder van de kleine Neta, een ontzag afdwingende strenge vrouw, met een zuiver Ashkenazi’s gezicht. “ Ja,zeker, wij komen uit Noord-Duitsland. Mijn vader, Dr. Loeb, was rabbijn in Emden. Hoor goed, Rabbijn Doktor Loeb!” Of ik het gehoord heb! ‘Ja, inderdaad aan het Judentief begraven.” Ze is niet eens verbaasd.
Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft Javascript nodig om het te kunnen zien.